Zenobie over verhalen die genezen
Lees verder

Geplaatst op door carolinedelannoy | Één reactie

Geen idee

spinnenwebLies zucht diep. Ze zit aan de keukentafel boven een leeg wit tekenvel gebogen. Al een uur. En nog altijd is ze er niet uit.

Juf zei: ‘Dit wordt een leuke opdracht. Het thema is: de lente. Verder kunnen jullie zelf kiezen of je de tekening met kleurpotloden of waskrijtjes maakt. Wie wil schilderen, mag dat doen. Toon me jullie kunsten.’

Opnieuw zucht Lies. Ze wil een schitterende tekening maken. Talent heeft ze. Alleen kan ze maar niet bedenken wat ze wil tekenen. Zal ze een tuin tekenen vol lentebloemen of zal ze zich concentreren op een bepaalde boom in bloei? Of zal ze een close-up tekenen van een bloesem? Misschien een stilleven met tulpen en nog wat andere voorwerpen erbij? Of zal ze kuikentjes tekenen? Een vogelnest met piepkleine jongen met open bekjes? Een mix van dat alles?

Lies zit met de handen in het haar. Echt, ze weet het niet. Al die ideeën zijn leuk, maar het is allemaal al gedaan. Er zit niets bijzonders bij. Niets wat eruit springt. Niets wat haar extra punten zal opleveren. Ze laat haar hoofd op haar handen rusten en staart naar buiten. Bij de vorige tekenopdracht had ze heel veel punten. Dat wil ze opnieuw. Tekenen is haar beste vak. Het enige waarin ze kan uitblinken. Schitteren zelfs. En nu heeft ze geen ideeën. Haar hoofd is leeg. Of liever: het is te vol.

Ze staart naar buiten door het keukenraam. Op de vensterbank prijkt mama’s verzameling theepotten. In de rechterbovenhoek ziet ze buiten een spin aan het werk. Die vraagt zich blijkbaar niet af wat voor soort web ze zal weven. Ze gaat gewoon aan de slag. En nu Lies wat beter kijkt, ziet ze wat ze nog nooit eerder opmerkte: een spinnenweb is prachtig. Je zou het kunst kunnen noemen.

Levende kunst

die zachtjes beweegt ragfijn

en regendruppels koestert

als diamanten

die blinken

schitteren

knipogen

naar zij die kijken

zij die het zien

De lucht is bewolkt. Pa loopt heen en weer met zijn rode tuinjasje aan, want hij wil het gras maaien. De notenboom heeft nog geen bladeren. De wilg, wat verderop tegen het tuinhuis, wel. Vanuit haar plek aan de keukentafel ziet Lies de toppen van de takken van de struik waarvan ze de naam niet kent, maar die in de lente rozerood bloeit.

Hé? Wie heeft een apart idee nodig? Ze tekent gewoon wat ze ziet vanuit haar plek aan de keukentafel. En ze zet pa net niet in het midden. De spin en haar web tekent ze over alles heen, zodat alles tegelijk waziger en helderder wordt. Ze wrijft in haar handen. Yes! Dank u spinnetje! Denken is niet altijd de oplossing. Soms komt een antwoord op een vraag gewoon naar je toe. En die punten? Daar maakt een spin zich niet druk over. Die leeft gewoon. Voluit

Share
Geplaatst in Geen categorie | Één reactie

Willy de rups

Bert komt thuis van school. Met een klap valt de deur achter hem dicht. Zijn boekentas keilt over de grond.

‘Slechte dag?’ informeert opa.

Bij wijze van antwoord grist Bert wat koekjes uit de trommel, springt op tafel en laat zijn benen heen en weer bungelen.

Opa zit in een fauteuil. De tv doet hij uit.

‘Een onvoldoende voor aardrijkskunde, wiskunde en geschiedenis.’ Bert gooit een koek in de lucht en vangt hem op met zijn mond.

‘Je kunt anders goed een zeehond nadoen. Misschien moet je maar bij het circus gaan.’

‘Ik wou dat ik zo slim was als Marinus. Die hoeft thuis bijna niet te studeren en toch is hij altijd de beste van de klas.’ De klok slaat vijf uur. Eigenlijk zou Bert aan zijn huiswerk moeten beginnen, maar wat heeft het voor zin?

Opa steekt een pijp op. ‘Ken je het verhaal van Willy de rups?’

‘Nee.’ Bert is geen kleuter meer. Wat moet hij met een verhaal? Zal hij daardoor zo slim worden als Marinus? Of even goed kunnen hardlopen als Victor? Of altijd winnen bij games zoals Jules?

‘Willy de rups was niet tevreden. Wat was nu een rups? Wat waren zijn speciale talenten? Wie kijkt vol bewondering naar een rups? Niemand toch? Willy wilde groot en sterk zijn als een beer, of slim en sluw als een vos. Of misschien ook wel een machtige heerser in de lucht, zoals een adelaar. Zelfs een meerkoet is interessanter dan een rups.

Niets van dat alles gebeurde. Dus verdween de rups van schaamte in een groot cocon dat hij zelf weefde. Hij durfde zich niet meer te vertonen, want hij betekende minder of niets. Hij nestelde zich in zijn cocon en viel in slaap.

Een hele tijd later werd hij wakker. De rups was nu een pop geworden en wilde zich uit de cocon bevrijden, maar dat was een hele klus. Het was heel hard werken om eruit te geraken.

Toen bekeek hij zichzelf in een plas water. Zijn lijf was er nog, maar hij had vleugels gekregen. Mooie witte vleugels met zwarte stippen. Hij steeg op en fladderde rond, zo licht als een veertje. Vanuit de lucht keek hij anders naar de wereld. Hij was nog altijd niet zo sterk als een beer of zo slim en sluw als een vos, maar hij was precies goed. Hij vloog van bloem naar bloem en bracht lichtheid en vreugde in het leven van de mensen.

Mensen en dieren die hem vroeger niet opmerkten keken hem nu bewonderend na. Iets doodgewoons was veranderd in iets bijzonders.’

Opa neemt zijn pijp en stopt hem in zijn mond.

Bert springt van tafel. ‘Mooi verhaal hoor, opa. Maar wat heb ik daarmee te maken? Wil je soms beweren dat ik een rups ben die nog een vlinder zal worden?’

Opa knikt.

Bert rolt met zijn ogen. ‘Hoe zou ik dat dan doen?’

‘Door op het houden met te wensen dat je een beer was of een poema of een zebra. Ontdek je eigen talenten en doe er iets mee.’

‘Wat voor talent had die rups nou helemaal? Hij kapselt zich in in een cocon, wordt een pop en later wordt hij vanzelf een vlinder.’

Opa haalt zijn pijp uit zijn mond en wijst ermee naar Bert. ‘Dat heb je goed mis. Om geboren te worden uit zijn cocon moet een vlinder een erg grote druk uitoefenen. Dat is een zware en langdurige klus.’

‘Tja’, Bert is niet helemaal overtuigd.

‘En weet je waarom de natuur dat zo heeft voorzien? Omdat het net die grote druk is die ervoor zorgt dat de vele kleine kanaaltjes in de vleugels van de vlinder gevoed worden met vloeistof.’

‘Hmm’, Bert fronst. ‘Waarom heeft een vlinder vloeistof nodig?’

‘Om zijn vleugels te kunnen openvouwen. Daarna laat hij zijn vleugels drogen in de zon en zo krijgen ze hun veerkracht en hun sterkte.

‘Oké, je hebt gelijk, opa. Een rups wordt niet zomaar een vlinder. Hij moet er wat voor over hebben.’

‘Precies.’ Opa glimlacht breed. ‘Als je je talenten wilt ontwikkelen, dan moet je ook doorzetten: oefenen, oefenen, oefenen, vallen en weer opstaan, en weer oefenen, oefenen, oefenen.

Nors haart Bert zijn schouders op. ‘Ik heb geen talenten.’

‘Als ik me niet lekker voel en jij komt de kamer binnen, dan voel ik me al iets beter.’

‘Hoezo?’

‘Gewoon’, zegt opa, ‘dan verschijnt er als vanzelf een glimlach op mijn gezicht.

‘Zie ik er dan zo belachelijk uit?’

‘Nee, jij hebt het talent om me blij te maken, gewoon door er te zijn.’

Bert gooit een kussen naar opa toe. ‘Mensen blij maken is geen talent.’

‘Net wat ik nodig had.’ Opa stopt het kussen achter zijn rug. ‘Mijn oude rug begon te protesteren.’

Uit zijn oude koffer haalt Bert drie kleine balletjes tevoorschijn en gooit ze een na een in de lucht. Drie seconden later liggen ze allemaal op de grond. ‘Ik weet iets. Ik ga leren jongleren.’

Opa barst in lachen uit.

‘Ga je me nu helpen met mijn huiswerk?’

‘Geen sprake van, bolleboos. Dat ga jij helemaal zelf doen.’

Share
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Op pad

2015 Auvergne 339Het is broeiend heet. Zweet loopt in straaltjes langs Maya’s nek naar beneden. Vlug dept ze het weg met haar zakdoek, want zweetvlekken, daar mag ze gewoon niet aan denken. Wat zou ze kunnen doen om af te koelen? Zwemmen? Nee, haar badpak is uit de mode. Met haar voeten in een fris badje? Nee, dat vinden haar vrienden vast stom. Op blote voeten in het gras? Dat is voor kleine kinderen.

 

‘Spring maar op mijn rug. Als we samen door het landschap draven, verfris je wel.’ Een bruin paard met lange zwarte manen komt vlak voor haar staan.

‘Hé!’ Van schrik maakt Maya een sprongetje. ‘Ik kan niet paardrijden.’

‘Geen punt. Ik leer het je wel’, hinnikt het paard.

Voorzichtig klimt ze op de rug van het paard en samen gaan ze op weg. Ze komen op onbekende paden en wegen. Het landschap is heel apart. Ze komen langs een notenboomgaard en later langs een immens groot grasveld. Het gras staat in bloei en wiegt heen en weer. In het midden staat een reusachtige zonnebloem en het lijkt wel alsof zij de dirigent is van het grasorkest.

 

Maya kijkt haar ogen uit. Hé, daar heb je een regenboogwolk. Een reuzengrote bol die aanzwelt en weer kleiner wordt. De wolk komt dichter en dan merkt Maya dat het libellen zijn in de prachtigste kleuren.

Dat moet ze aan haar vriendinnen vertellen. Maar wat als ze haar niet geloven?

De libellen komen dichterbij. De een is al wat kleurrijker dan de ander, maar dat hindert hen niet. Elke libel gaat helemaal op in haar eigen vliegkunst. Ze suizen door de lucht en doen gewoon hun ding. Maya glimlacht. Het doet haar aan zichzelf denken wanneer ze zingt, danst of toneel speelt. Dan kan ze daar ook zo in opgaan dat ze alles om zich heen vergeet.

Het paard stapt door en ze laten de kleurrijke wolk achter zich.

 

Het landschap verandert. Het paard en Maya beklimmen een smal en moeilijk begaanbaar pad.

Op een bepaald moment zegt het paard: ‘Zo, tot hier heb ik je gedragen. Vanaf hier kun je alleen verder.’

‘Wat?’ Helemaal in paniek kijkt Maya rond. Ze zit midden in de bergen. Het ziet er hier een beetje gevaarlijk uit en ze kent de weg naar huis niet.

‘Wees gerust, Maya. Alles komt op zijn pootjes terecht als je vertrouwen hebt.’ Het paard gooit zijn voorpoten in de lucht, zodat Maya wel moet afstappen. Hij hinnikt nog eens luidruchtig en draaft weg.

 

Maya is helemaal de kluts kwijt. Hoe moet zij hier in hemelsnaam de weg vinden? Alle bergen lijken op elkaar, de paden zijn moeilijk en er zijn geen wegwijzers. Met een grote zucht laat ze zich zakken op een rots. Zo. Dat was het. Hier geraakt zij nooit meer uit. Ze bestudeert het landschap aandachtig, maar ziet niet direct een uitweg. De moed zakt in haar schoenen.

 

Even later wordt haar aandacht getrokken door een beweging. Pal voor haar zit een duif.

‘Dag duif.’

De vogel vliegt op en iets verderop gaat hij weer zitten. Maya, die een hekel heeft aan alleen zijn, volgt het beestje. Zodra ze op de plek komt waar de duif is neergestreken, vliegt hij weer op en gaat wat verder zitten.

Hij toont me de weg, denkt Maya. Opgelucht volgt ze de duif. Op die manier leggen ze een heel traject af. Tot ook de duif haar alleen achterlaat.

Nu is ze niet meer bang. Ze vindt de weg wel. Er zijn altijd wel tekens.

Maya rust wat uit en gaat dan alleen verder. Het pad is heel rotsachtig en gaat steil naar beneden. Ineens struikelt ze en valt op de grond. De schrik slaat haar om het hart. Haar linkervoet doet pijn. Voorzichtig staat ze op en probeert enkele stappen te zetten, maar dat lukt niet. O jee, wat nu?

Ze kan niet anders dan gewoon blijven zitten. Als ze alles gezien heeft wat er te zien valt, sluit ze haar ogen en dommelt in.

 

Opeens hoort ze een bekend geluid. Boven haar vliegt een helikopter. Met beide armen zwaait ze en zwaait ze en ja, de helikopter landt op een open plek niet ver van haar vandaan. Een jongen van ongeveer haar leeftijd, met de mooiste ogen die ze ooit heeft gezien, rent haar tegemoet. Diep vanbinnen voelt Maya een kriebel. Wat een ogen!

‘Ben je gewond?’

Ze knikt.

Hij onderzoekt haar voet. ‘Mijn naam is Kobe.’

‘Maya’, brengt ze uit. Wauw, die jongen is te gek!

‘Mijn vader brengt je wel naar huis.’ Kobe helpt haar opstaan en slaat zijn arm om haar heen om haar naar de helikopter te brengen.

Maya’s hart klopt tegen haar ribbenkast. Wat heeft hij sterke spieren! Dat moet haar weer overkomen. Net nu ze de leukste jongen van het heelal ontmoet, ziet ze er niet uit.

Met een soepele beweging zet Kobe Maya in de helikopter en springt er ook in. De piloot start meteen.

Met blozende wangen zegt Maya: ‘Mijn haar ligt vast in de war.’

‘Natuurlijk’, lacht Kobe. ‘Dat kan ook niet anders met die schroeven van de helikopter.’

‘En mijn broek is gescheurd.’

‘Ja, dat zie ik.’

‘Ik zit helemaal onder het vuil.’ Maya schaamt zich dood.

‘Klopt ja, ‘zegt Kobe. ‘Maar dat vind ik net leuk.’

Een tijdje kijken ze beiden door het venster. Wat later stelt Kobe voor om moppen te vertellen. Dat vindt Maya een goed idee. Hij vertelt vast hele leuke moppen.

Maar dat valt een beetje tegen. De ene na de andere mop rolt uit Kobes mond, maar de ene is nog flauwer dan de andere. Maya doet haar best om te lachen, want hij heeft nog altijd fantastische ogen. Maar het lukt gewoon niet. Wat een ontzettend slechte moppentapper is hij.

En dan ineens, kan het haar allemaal niet meer schelen. Ze zegt gewoon, recht voor zijn raap: ‘Wat een vreselijke moppenverteller ben jij!’

‘O?’ Kobe schrikt. ‘Is dat zo?’ Hij rolt met zijn ogen. ‘Dan moet ik daar dringend eens iets aan doen.’

‘Ja, sorry, maar ik zal echt niet doen alsof. Je moppen zijn niet grappig.’ Maya glimlacht. Dat is best verfrissend. Gewoon zeggen wat je echt denkt. En hij wordt niet eens boos.

 

Ze voelt de kriebel weer wegzakken. Kobe is niet de prins op het witte paard, maar wat haar betreft heeft ze er een fijne vriend bij.

Share
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Meester Slak

oostindische kersHermelien landt op de blauwe planeet aarde. Terwijl ze rondkijkt rekt ze zich eens goed uit. Wat heeft ze weer spannende avonturen beleefd met Ron en Harry. In de krater van de rode draak op de planeet Mars moesten ze al hun toverkracht aanwenden om prinses Neremia te redden. Het was op het nippertje.

Nu heeft professor Anderling haar naar hier gestuurd terwijl Harry en Ron zich gaan amuseren op een zwerkbaltoernooi. Ze vindt het maar sneu hoor. Wat moet ze hier in hemelsnaam uitvoeren? De professor wilde er niets over kwijt. Je merkt het vanzelf wel, zei ze. Hé, wat zijn dat voor groene parapluutjes? Ze raakt ze even aan. Nat. Water?

‘Wie steelt daar dauwdruppels van mijn bladerdak?’ Een piepklein dametje met vleugels twee keer zo groot als haar hele lijf komt tevoorschijn.

Hermeliens ogen worden groot. ‘Ben jij een elf?’

‘Zeker weten. Je mag me Georgina noemen.’

‘Is dit je huis?’

‘We leven onder de bladeren van de oostindische kers, ja. Welkom in elfenland.’

Hermelien laat zichzelf krimpen tot dezelfde grootte als Georgina en stapt op blote voeten op de zachte aarde. De ronde paraplu’s steken nu hoog boven haar uit en filteren het zonlicht. De geur van net omgewoelde aarde prikkelt haar neusgaten. Ze kijkt om zich heen: reuzengrote herderstassen, grote rode klaver en mos, mos, mos.

Een slak komt naast haar zitten.

‘Hoe heet je?’ vraagt Hermelien.

De slak komt in beweging. Op de grond maakt hij een slijmspoor met sierlijke bogen. Eerst is het Hermelien niet duidelijk wat de slak heeft gedaan, maar ineens gaat haar een lichtje op: ‘Aha, je hebt je naam geschreven.’

Slak grijnst. ‘Ik kan schrijven. Dat heb ik helemaal aan mezelf geleerd.’

‘Wat goed zeg!’ Hermelien gooit haar lange haren naar achter. ‘Wat doe je verder nog meer hier in elfenland?’

‘Euh, niets eigenlijk. Ik denk dat de elfen en de dieren mij een beetje dom vinden.’

‘Hoezo?’

‘Omdat ik zo traag ben. Zij zijn het die me slak noemen. Omdat ik zo traag ben.’

‘O!’ Hermelien denkt even na. Ze slaat haar armen rond haar benen en sluit haar ogen. ‘Kunnen alle dieren schrijven dan?’

‘Nee hoor, alleen ik kan dat.’

Hermelien tikt op haar neus. ‘En wat als jij en ik hier eens een klasje zouden oprichten waar dieren die willen leren lezen en schrijven naartoe kunnen komen?’

‘Jij en ik?’ Slak trekt slijmsporen op de grond, kriskras door elkaar. Als hij klaar is verschijnt er een prachtige tekening.

‘Ik zorg voor een klas onder de groene paraplu’s en jij wordt de leraar.’

‘Zullen ze wel naar me luisteren?’ vraagt Slak zich af.

Op haar blote voeten volgt Hermelien het slijmspoor. ‘Dat hangt van jezelf af. Als je zelf gelooft dat je iets interessants te vertellen hebt, dan gelooft iedereen het.’

‘Oké dan.’ Slak glijdt wat naar voor. ‘We gaan ervoor.’

De elfen zijn enthousiast over het idee. En omdat ze nu eenmaal elfen zijn, organiseren ze een waar feest om het te vieren. Iemand heeft bosbessen geplukt, iemand anders bramen, er is vlierbessenslap en er is aardbeientaart. Georgina bespeelt haar harp en elfen en dieren dansen samen de lindi hopdans. Hermelien wou de Ron hier ook was. Samen zouden ze fantastische lindi hopdansers zijn.

Daarna is het tijd om de handen in elkaar te slaan en met zijn allen een klasje te bouwen. Takken worden versleept en opgebouwd. Er komt een bladerdak. Met modder worden alle gaatjes opgevuld. Als het zware werk achter de rug is, haalt Hermelien haar toverstok tevoorschijn en tovert enkele leuke details: een schoolbord met echte krijtjes, enkele lessenaars van dennenappels en paddenstoeltjes om op te zitten. Morgen kan iedereen die dat wenst les gaan volgen bij meester Slak.

Hermelien is een beetje zenuwachtig. Als alles maar goed gaat. Ze is moe van het harde werk en kruipt onder het bladerdek. De sterren fonkelen door de bladeren heen en algauw vallen haar ogen toe. Tegen de ochtend krijgt ze het koud en haar oude knuffel, Bram de beer, die haar nooit in de steek laat, legt een extra groot blad op haar om haar wat beter toe te dekken en komt dichter tegen haar aan liggen.

De volgende dag is het de eerste schooldag. Er zijn niet zoveel leerlingen komen opdagen, alleen de konijnenfamilie en enkele mieren. Slak toont hoe hij zijn eigen naam op de aarde schrijft en vader konijn doet het na.

‘Wat een onzin!’ roept hij uit. ‘Hoe kan ik nu een slijmspoor maken?’

Hermelien, die al over dat probleem heeft nagedacht, neemt het woord: ‘Slijm is de schrijfstok van Slak. Welke schrijfstok heeft een konijn?’

‘Keutels!’ roept een jong konijntje.

Iedereen lacht.

‘Nee, ik ga niet met keutels schrijven’, moppert moeder konijn. ‘Ik ben geen viespeuk hoor.’

Hermelien geeft iedereen een klaversteeltje, plukt daarna een tak wolfsmelk en breekt het. ‘Doop jullie schrijfstok in de wolfsmelk en je hebt  inkt.’

‘Fantastisch!’ Georgina en enkele andere elfen staan in het deurgat en applaudisseren luid. ‘Wij willen ook leren schrijven!’

‘Wij ook!’ roepen enkele mussen in koor.

Het wordt een hele drukke dag voor Slak, maar hij is helemaal in zijn element. En Hermelien? Die straalt. Haar taak in elfenland zit erop. Tijd om weer haar gewone formaat aan te nemen en andere oorden op te zoeken. Ze mist Ron. Ron Wemel. Misschien moest ze maar eens gaan supporteren op een zeker zwerkbaltoernooi.

Share
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Conferentie

zonnebloemProfessor Tournesol, die net terug is uit het Amazonegebied waar hij samen met Kuifje adembenemende avonturen heeft beleefd, laat het autoraampje naar beneden om wat frisse lucht binnen te laten. Zijn hoofd bonkt open en toe. Hij is op weg naar een conferentie om een en ander toe te lichten over zijn nieuwe onderzoek dat nog lopende is. Het is druk op de weg. Zijn buik doet pijn en hij heeft al tijden het gevoel dat hij moet plassen.

Hij neemt de afrit van de autostrade en zoekt een landelijk weggetje. Omdat de druk op zijn blaas inmiddels zo groot is, zet hij zijn wagen aan de kant en stapt uit. Slechts enkele druppels. Hij moest dus niet echt. Verdorie! Hij gaat even op het gras zitten, sluit zijn ogen en ademt diep in en uit. Een kraai komt aangevlogen en gaat in de kruin van een boom zitten aan de overkant van de weg. Hij krast een doordringend geluid alsof hij een boodschap heeft. Daarna vliegt hij op en strijkt neer op een andere boom. Professor Tournesol gaat een stukje wandelen. Tijd zat, de conferentie start morgen pas.

De kraai roept hem, dus loopt hij ernaartoe, waarna de zwarte vogel opnieuw opvliegt om wat verderop op een ligusterhaag te gaan zitten.

‘Stom beest’, mompelt professor Tournesol voor zich uit, maar toch loopt hij dezelfde richting uit. Hij wrijft over zijn pijnlijke buik en voorhoofd. De kraai vliegt verder als een levende wegwijzer en de professor volgt. Al weet hij niet waarom. Het is niet wetenschappelijk bewezen dat kraaien wegwijzers zijn. Welk mysterie zal ze voor hem blootleggen? Welk raadsel zal ze aanbieden?

Ze komen op een veld vol zonnebloemen en de kraai gaat recht op zo’n prachtige gele bloem af die haar kop vol overgave naar de zon richt. Een windvlaag komt op en de zonnebloemen buigen elegant zonder te knakken of te kraken. Daarna gaan ze weer soepel rechtop staan en worden opnieuw hun statige zelf.

Hoe komt het toch, vraag professor Tournesol zich af, dat zonnebloemen zowel vrolijkheid, zelfzekerheid als concentratie uitstralen? Kwaliteiten die onontbeerlijk zijn voor een wetenschapper. Hij volgt de kraai op haar weg die leidt naar beneden, naar de dikke, groene, behaarde, zachte, maar tegelijk krachtige stelen van de bloem. De kraai pikt in de aarde, maakt een kuiltje, graaft dieper, spit en spit en legt uiteindelijk de wortels van de plant bloot. Wortels die thuis zijn in de korrelige, geurende, voedende grond.

Aarde, water, wind en zon, meer heeft een zonnebloem niet nodig om haar magnifieke zelf te zijn. Wanneer er tegen haar wordt geduwd, buigt ze mee en komt ze daarna terug naar haar kern, haar krachtige middelpunt. Ze twijfelt niet, ze is niet bang om iets verkeerds te doen, ze maalt om wat anderen zeggen, want ze vertrouwt erop dat alles wat ze nodig heeft voor handen is.

Professor Tournesol gaat dichterbij en streelt de zachte bloemblaadjes. Ach man, wat heeft hij zich weer druk gemaakt over die  conferentie. Dat beseft hij nu pas. ‘Wat zullen de andere wetenschappers zeggen?’, ‘Zullen ze niet proberen om mijn ideeën de grond in te boren?’ ‘Ik zal mij wellicht onsterfelijk belachelijk maken.’, ‘Op het cruciale moment zullen mijn geniale ingevingen mij ontsnappen’, enz, enz.

Hij legt zijn voorhoofd tegen het hart van de bloem en snuift haar frisse geur op. ‘Zonnebloem, je hebt gelijk, meisje. Alles wat ik nodig heb, is voor handen: mijn stem, mijn ideeën, mijn wortels die ik heb meegekregen van mijn familie, met name mijn doorzettingsvermogen, mijn moed en het vermogen om telkens wanneer het mis gaat opnieuw te beginnen.’

Hij zoent de zonnebloem en loopt terug naar zijn auto. Tot zijn verrassing zijn de hoofdpijn en de buikpijn verdwenen en heeft hij helemaal niet het gevoel dat hij moet plassen. Met een eigenzinnig kra kra vliegt de kraai over waarbij het professor Tournesols hoofd net niet raakt.

Professor Tournesol wuift hem na. ‘Bedankt maat!’ Op naar de conferentie.

Share
Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Zee

Op een stralende dag zijn Alice, Myriam en Kjel aan het strand. De golven rollen aan en aan met schuimkopjes als krullen op hun kop. Daar kan het drietal niet aan weerstaan.

Kjel heeft een luchtmatras bij, dus kunnen ze er met zijn drieën op ronddobberen.

Vanzelfsprekend gaat Kjel telkens in het midden liggen, want het is zijn matras. Hij neemt heel veel plaats in, vindt Alice. Ze is al verschillende keren de zee in geduikeld omdat ze op het boordje van de matras lag en hij haar zogezegd toevallig een duw gaf. Ze heeft al veel slokken van het zout, vies zeewater binnen tot grote pret van Kjel en Myriam. Lees verder

Share
Geplaatst in Geen categorie | 2 Reacties